De vorming van een nieuwe coalitie laat zien dat de partijen van academici (D66 en PRO) en universiteitsstudenten (STIP) vooral achterkamertjespolitiek bedrijven. De oppositiepartijen krijgen het coalitieakkoord pas te zien als het af is, ondanks eerdere beloften over openheid en samenwerking. De komst van een wethouder die niet in Delft wil wonen legt pijnlijk bloot hoe groot de afstand tussen het theoretisch opgeleide bestuur en de vooral praktisch opgeleide stad is geworden. 

Ruim vierenvijftig procent van de Delftenaren is praktisch opgeleid. Dat zijn de mensen die een vmbo- of mbo-opleiding hebben gevolgd. De mensen die verzorgende IG zijn, of politieagent, installatiemonteur, timmerman, onderwijsassistent. Toch worden deze inwoners al ruim 25 jaar niet vertegenwoordigd in het college van burgemeester en wethouders. Het ‘motorblok’ van PRO, D66 en STIP houdt de macht stevig in handen, waarbij STIP zelfs onafgebroken regeert sinds 1998. Zelfs de verkenner voor de nieuwe coalitie stelde vast dat deze jarenlange machtsconcentratie leidt tot frustratie en het beeld dat ‘zij het onderling wel even regelen’. 

Gebroken beloftes
Tijdens het duidingsdebat over de coalitievorming op 1 april werd de kloof tussen woord en daad pijnlijk zichtbaar. De partijleiders van D66, STIP en PRO maakten duidelijk dat ze het coalitieakkoord graag samen wilden opstellen met de partijen die de praktisch opgeleide mensen en ondernemers vertegenwoordigen. Ze gingen zelfs akkoord met een voorstel om een eigen budget aan de oppositie te geven. Twijfel was er toen al over de oprechtheid van PRO en D66 om werkelijk samen te willen werken. Had de fractievoorzitter van D66 in het gesprek met de verkenner niet al gepleit voor een traditioneel meerderheidsakkoord dat inhoudelijk vrij gedetailleerd mocht zijn? Achteraf gezien was dat een duidelijke voorbode van het huidige dichtgetimmerde proces. Meerdere malen herhaalde hij zijn belofte om samen te willen werken. Hij sprak ook tegen de verkenner over een handreiking naar de oppositie. Maar dat blijkt loze toezeggingen te zijn geweest. Net zoals de suggestie van STIP om het formatieproces te starten met openheid en een ‘veertig procent versie’ van het akkoord te bespreken met de oppositie geruisloos in de prullenbak is beland. In plaats van de beloofde 40% transparantie, kozen de partijen voor de veiligheid van een ‘vertrouwelijk gesprek’ De partijen die ondernemers, vmbo’ers en mbo’ers vertegenwoordigen krijgen het akkoord pas te zien als het af is. Dit past in een bestuurscultuur waarin eerst onderling wordt besloten en de rest later mag reageren. van een bestuurscultuur waarin de op de universiteit opgeleide raadsleden en bestuurders liever in achterkamertjes beslissen dan de dialoog aangaan met partijen die de meerderheid van ondernemers en praktisch opgeleide mensen vertegenwoordigen.

 Bestuurlijke arrogantie
De afstand tot de Delftenaar wordt nergens duidelijker dan in de stuitende houding rondom beoogde bestuurders. Dat een kandidaat-wethouder niet eens de bereidheid toont om in de stad te gaan wonen waarvoor hij of zij ingrijpende besluiten neemt, getuigt van een diepgewortelde arrogantie Men wil wel de lusten van het wethouderschap en de macht over onze stad, maar weigert er onderdeel van te zijn. Hoe kun je weten wat er speelt in de Tanthof of de Buitenhof als je de stad slechts als een zakelijke opdracht ziet en veilig in een villawijk in een andere stad woont?

Tijd voor een eerlijke afspiegeling
Hart voor Delft laat zich niet langer afschepen met loze beloftes. Wij eisen een stadsbestuur dat een afspiegeling is van de héle stad, inclusief die 54% praktisch opgeleiden die al meer dan een kwart eeuw buiten het stadsbestuur worden gehouden. De ivoren toren in het stadhuis moet worden opengebroken. Delft is van ons allemaal, niet alleen van een klein clubje dat de macht als een erfstuk beschouwt.

Marcel de Jong
Hart voor Delft